Links

Van revolutie naar normen en waarden – het veranderende socialisme van de SP (Alex de Jong, TENK, 2014)

Brochure Ontwaakt…!
Hoe de SP zijn idealen overboord zet om in de regering te komen
Door historicus Sjaak van der Velden, voormalig (hoofd)redacteur van Spanning, maandblad van het ‘Wetenschappelijk Bureau’ van de SP.

De SP verraadt linkse kiezers
De koers van de SP is warrig, onzeker, tweeslachtig, en overtuigt niet

De partijlijn blijft heilig
#Partijcultuur De macht ligt in de handen van een kleine groep mensen.

De SP en de islam in Nederland
Cees Bronsveld, Artikel uit De AS, nr. 64 (oktober/december 1983), p. 8-21

SP moet partijorganisatie aanpassen
De partijstructuur van de SP uitgelegd door Gerrit Voerman, (NRC 2007)

SP’ruitjeslucht, de zeden en gewoonten van een winnaar
Bewerking van het artikel “‘SP’ruitjeslucht, de zeden en gewoonten van een winnaar” van Hans de Bruin in Konfrontatie nummer 31, De Peueraar 46, juni 1994 (Gebladerte)

Stem voor beschaafd deporteren, stem SP!
Eric Krebbers, De Fabel van de illegaal 57, maart/april 2003 (Gebladerte)

Nieuw Socialisme
Manifest van Willem de Vroomen (voorm. SP Alkmaar)

Comité Democratisering SP

Tien redenen om geen SP te stemmen
Alib Bondon 20 november 2006

Sociocratie en de Politiek
Website van Alex van de Worp (voorm. SP Emmen)

Die gastvrije en oerdemocratische SP (1)
Die gastvrije en oerdemocratische SP (2)
Dick Pels’ verslag van het SP Congres 2007

SP Rituelen
Van Miguel Sloendregt, voormalig voorzitter SP Den Haag

Volkskrant: Blogs SP, CDA en GeenStijl verhullen
“GeenStijl, Vkmag en Tweakers en politici van SP en CDA draaien het publiek een rad voor ogen met reclame en p.r. Ze overtreden ook de wet.”

Nujij: Grootschalige censuur op het weblog van Jan Marijnissen

NRC: Het Mao-filter van de SP

De SP is haar eigen medium

Gooi- en Eemlander: SP pesten

FOK: De weblog van ome Jan

FOK Forum: Weblog Jan Marijnissen: censuur en domme kutusers

Piet Kuipers: Anja Meulenbelt (SP) is onbeschoft en onbehoorlijk

opinieleiders.nl: Jan Marijnissen niet eerlijk?

Düzgün Yildirim

De Stentor: Harry Voss, nu ex-SP en broodjesman voor Wakker Dier
“Over de achtergronden van zijn vertrek mag hij op straffe van een dwangsom niets tegen de buitenwereld zeggen.”

Trouw: SP voerde ’hetze’ tegen kandidaat-senator Yildirim

VPRO: Daan Monjé
De oprichter van de SP is uit de partijhistorie geschrapt.

ANP: SP protesteert tegen internetcensuur

  1. Willem de Vroomen

    SPANNING.

    Het voornaamste stuk in Spanning 10-2012 (www.sp.nl/nieuws/spanning) is dat van Hans van Heijningen (secretaris van het partijbestuur):
    “Utopieën met een hoog werkelijkheidsgehalte.”
    Daarover zullen de discussies gaan in de afdelingen, de regioconferenties en op de partijraad. De strekking van het stuk van Hans van Heijningen is dat het socialisme een onhaalbare utopie is. En in het verlengde daarvan de opvatting dat de SP niet meer moet streven naar een verandering van de maatschappij in socialistische richting. Als partij moet de SP door middel van meebesturen en actie voeren de scherpe kanten van het kapitalisme afslijpen. En haalbare alternatieven voor het huidige kapitalisme, haalbare idealen, stapje voor stapje nastreven. Een verandering van de SP van een socialistische partij in een sociale partij. Een verandering die een prominent SP-er zelfs door middel van een naamsverandering zou willen doorvoeren.
    Direct in de inleiding worden socialisten die zich nog op Marx willen beroepen aangeduid als luchtfietsers met romantische vergezichten die het zicht op de werkelijkheid eerder versluieren dan verhelderen. Om de tegenwoordige marxisten te bekritiseren en te veroordelen schrijft hij: “Met de kennis van nu kunnen we het verleden duiden, maar met zekerheid iets zeggen over de toekomst is een brug te ver. Het determinisme van Marx, die het mechanisch karakter van de overgang van kapitalisme naar socialisme theoretisch onderbouwde, blijkt niet juist te zijn.” Een weinig zorgvuldige en weinig correcte weergave van de visie van Marx op de ontwikkelingen in de geschiedenis van de menselijke samenleving. In de tijd van Karl Marx (en Friedrich Engels) werd ook al geschreven over het einde van de geschiedenis. De maatschappijvorm van de kapitalistische economie in combinatie met de parlementaire democratie werd toen en wordt ook nu nog beschouwd als het eindpunt van een langdurige menselijke geschiedenis. Marx en Engels doen in feite ook zo iets wanneer zij menen dat op dat moment slechts de ‘voorgeschiedenis’ van de mensheid is afgesloten. Marx schrijft dat het antagonisme in de maatschappij dan wordt opgeheven en een nieuwe periode van de geschiedenis begint. Vooral Engels is degene die de wijze waarop dat zou gebeuren heeft beschreven en die nieuwe periode zelfs een naam heeft gegeven: socialisme. Friedrich Engels: “De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap.” Met name dit boekje is zeer verhelderend over de geschiedenis tot aan de periode van Marx en Engels, vooral in de uitgebreide inleiding bij de eerste Engelse uitgave van 1892. En ook nog in de delen I en II van de eigenlijke brochure. Zeer ter lezing aanbevolen. Helder wordt het verband aangegeven tussen de maatschappelijke ontwikkelingen en de religieuze, filosofische en wetenschappelijke denkbeelden die daarmee samenhangen. In een dialectische samenhang, zouden Marxisten dan zeggen. Maar zonder ingewikkelde en uitgebreide uitleg klinkt dat als een soort bezwering om de argeloze lezer de mond te snoeren! Juist de inleiding en de delen I en II van de brochure zijn helder, het vervolg in deel III is nogal speculatief.
    Maar in het overige werk van vooral Marx is weinig of niets te vinden dat aangeduid zou moeten worden met de termen mechanisch en deterministisch. Wel kun je juist met Marx de conclusie trekken dat er geen sprake kan zijn van het einde der geschiedenis, de ontwikkeling gaat verder, niets is oneindig, alles verschijnt en verdwijnt, dus ook de hedendaagse maatschappijvorm. Wat de volgende fase is, is niet te voorspellen, hoogstens in zeer algemene termen. Er zijn geen historische wetten, zoals natuurkundige, alleen tendensen en wetmatigheden.
    Een belangrijk kenmerk van de menselijke maatschappij is dat er productie plaats vindt waardoor mensen in hun levensonderhoud voorzien. Het is duidelijk dat in de organisatie van die productie niet alle mensen dezelfde positie hebben. Heel algemeen gezegd onderscheiden we ook in het moderne kapitalisme twee belangrijke groepen mensen. De ene groep bezit het vermogen arbeidskracht te verkopen, de andere groep heeft de productiemiddelen in bezit en kan arbeidskracht kopen. In de socialistische maatschappijtheorie worden deze groepen van mensen klassen genoemd. De tegenstelling tussen de klassen is een belangrijke motor voor de ontwikkeling van de maatschappij. En dat geldt ook voor tegenstellingen binnen de klassen. Niet alle ondernemers, aandeelhouders en bestuurders van grote instellingen en banken hebben de zelfde belangen. En binnen de werkende bevolking bestaan eveneens grote tegenstellingen. Ook in de negentiende eeuw was er geen sprake van een simpele tweedeling tussen arbeiders en kapitalisten. De ‘motor’ was in de tijd van Marx ook ingewikkeld, maar de strijd tussen de twee belangrijkste klassen was toen en is ook nu van groot belang. In Spanning van februari 2000 schreef de SP nog: “Willen we een socialistische samenleving, democratische controle, dan zal de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal fundamenteel veranderd moeten worden”. De tegenstelling tussen klassen komt natuurlijk ook tot uiting op andere terreinen van het maatschappelijk leven: openbaar vervoer, onderwijs, volkshuisvesting, gezondheidszorg. Vandaar dat socialisten ook actief zijn bij scholen, universiteiten, ziekenhuizen en stations. Maar heel duidelijk wordt die tegenstelling op het terrein van economie en productie. Als daar ‘arbeiders’ in actie komen blijkt de aard van onze maatschappij en wat de belangrijkste tegenstellingen zijn.

    Crisis in het kapitalisme.
    Wonderlijk dat in een nummer van Spanning over de democratisering van de economie de economie zelf weinig ter sprake komt. En ook wordt er niet of nauwelijks geschreven over de huidige economische crisis en de oorzaken ervan. Terwijl juist in een periode van economische crisis de analyse van de kapitalistische economie zoals Marx die verwoordde nog steeds actueel en bruikbaar is. Over de huidige economische crisis worden in de media wonderlijke verhalen verteld en geschreven. Hoor je op het ene moment dat de mensen te veel consumeren en te weinig sparen, op het andere moment lees je dat mensen juist te veel sparen en te weinig consumeren. Er moet veel bezuinigd worden, roepen sommigen. Ja, maar nu nog niet, zeggen anderen, we moeten juist de economie stimuleren door meer overheidsuitgaven. Maar door hoge uitgaven van de overheid stijgt de staatsschuld. Dat is heel gevaarlijk voor de positie van de euro, dus die hoge staatsschuld moet worden aangepakt. Maar dat aanpakken mag het economisch herstel en de economische groei niet belemmeren. Die groei moeten we juist stimuleren door meer uitgaven. Maar dat leidt weer tot hogere staatsschuld en dat brengt de euro in gevaar. Door de problemen in Griekenland en andere landen komen Europese banken in gevaar. Die banken komen in de problemen en moeten dus geholpen worden door de regeringen. Dat leidt weer tot een hogere staatsschuld, dus moet er meer bezuinigd worden. Maar bezuinigingen remmen het economisch herstel en de economische groei. En zo draait alles in een cirkel rond, de tegenstellingen in de kapitalistische economie zijn onoplosbaar. En daardoor duurt de crisis maar voort en wordt er geen oplossing gevonden. Waar komen die tegenstellingen vandaan?
    In een kapitalistische economie moet er voortdurend meer en goedkoper geproduceerd worden. Een onderneming die in de concurrentie niet mee kan gaat failliet. Dat meer en goedkoper produceren leidt aan de ene kant tot welvaart en economische groei, aan de andere kant tot steeds meer problemen. Door te investeren in arbeidsbesparende machines en in automatisering dalen de kosten van lonen en salarissen. Daardoor wordt goedkoper en meer geproduceerd. Werkende mensen produceren meer dan zij voor zich zelf en hun gezin nodig hebben. Dat meer geproduceerde wordt meerwaarde genoemd en is de bron van de winst. Omdat arbeid dus de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines en automatisering voor een daling van de winst. Machines, robots en automaten zelf leveren immers geen meerwaarde. En dus ook geen winst. De overbodig geworden werknemers ontvangen geen loon of salaris meer en kunnen de geproduceerde goederen niet meer kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd. Door de dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie. Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie. Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag te overbruggen. De bevolking werd ertoe verleid en verplicht om op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de relatief en ook absoluut dalende inkomens. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Dit is de basis van de problemen met de euro. De banken die zichzelf door de ongecontroleerde kredietverstrekking in de problemen hebben gebracht moeten door de diverse Europese overheden worden gered. Daardoor groeien de schulden van die overheden (staatsschuld) tot enorme hoogte, vooral in de zwakste economieën van Griekenland, Portugal en Ierland. En ook wel in Spanje, Italië en Frankrijk. (En in de Verenigde Staten). De schulden in die landen waren in de afgelopen jaren ook al enorm toegenomen door de financiering op krediet van de import vanuit andere Europese landen. De schulden van die zwakke landen (staatsobligaties) zijn in handen van banken, in die landen zelf, maar ook van banken in en buiten Europa. Bij een faillissement van één of meerdere landen komen die banken enorm in de problemen en dreigen ook daar faillissementen. Daarom moeten die zwakke landen koste wat kost gesteund worden vanuit Europese en internationale noodfondsen. Met ook hier weer natuurlijk het zelfde probleem: die noodfondsen zijn niet gevuld met reëel geld maar met geld dat nog niet in de huidige of toekomstige productie is verdiend. En dit hele proces wordt nog eens verder gestimuleerd door de ongecontroleerde activiteiten van internationale financiers en speculanten.
    Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is. Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, heeft hij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Ook over het socialisme als uitweg uit de huidige crisis kan maar in zeer algemene termen gesproken en geschreven worden. Zonder met een blauwdruk voor een socialistische maatschappij te komen en zonder spitsvondige discussies over de precieze inrichting van die maatschappij. Het gaat er veel meer om te doorgronden waardoor de kapitalistische ordening van de maatschappij, met het individueel eigenbelang als leidend principe in de economie en met de daarmee samenhangende ondernemingsgewijze productie, de markt, de concurrentie en de winst, door de ontwikkeling achterhaald is. En plaats moet maken voor een nieuwe maatschappelijke ordening. Met een rationele planning van de economische productie en consumptie in plaats van de chaotische gang van zaken in de markteconomie. Met de nadruk op gemeenschapszin en solidariteit in plaats van op individueel eigenbelang. Met een visie op de samenleving die mensen maatschappelijk inspireert en actief maakt en vertrouwen geeft voor de toekomst. Linkse, progressieve, socialistische, sociaaldemocratische en anderszins maatschappijkritische personen en organisaties moeten het initiatief nemen om de socialistische weg uit de huidige crisis opnieuw aan de orde te stellen. Niet met spannende verhalen over revolutie en over de partij als voorhoede van de arbeidersklasse. En ook niet met overspannen nostalgische verwachtingen over de machtige arm die heel het raderwerk stil zal zetten. In de vakbond, bij Groen Links, zelfs bij de PvdA, bij de Internationale Socialisten, in kringen rond het blad Grenzeloos en op veel andere plaatsen leeft het besef dat het kapitalisme geen rol meer kan spelen op de weg naar vooruitgang, rechtvaardigheid, vrede en mensenrechten. En juist in dit proces van bewustwording dient de SP als socialistische partij een vooraanstaande rol te spelen. Natuurlijk is het dan voor socialisten van belang zich af te vragen wat met socialisme bedoeld wordt. Het is onvoldoende opvattingen van vroeger te herhalen, maar wel moet onderzocht welke vroegere opvattingen nu nog van betekenis zijn. Socialisme is een maatschappij die menselijke waardigheid respecteert, gelijkwaardigheid van mensen garandeert en solidariteit tussen mensen organiseert. Maar die begrippen hebben geen inhoud zonder een verandering in de machts- en eigendomsverhoudingen. Die begrippen krijgen pas een kans na een dergelijke verandering. In een menswaardige samenleving kan de macht over grote bedrijven en instellingen niet berusten bij een kleine groep machthebbers. Zonder enige vorm van eigendom en beslissingsrecht voor de grote meerderheid. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar toch moet men zich voortdurend afvragen wat eigendom en beslissingsrecht is. Vroeger werd daar altijd op geantwoord in termen van nationalisatie en staatseigendom van de productiemiddelen. De vraag is of dat voor de tegenwoordige tijd nog een oplossing is. Maar het gaat in ieder geval om verandering in de machts- en eigendoms-verhoudingen. Mensen hechten veel waarde aan eigen ontwikkeling, persoonlijke belangen en individuele vrijheid. Hoe verhoudt zich dat met een socialistische toekomstvisie? Socialisme kan niet bestaan zonder individuele vrijheid, slechts beperkt door de overweging dat vrijheid voor de één nooit ten koste mag gaan van de vrijheid van anderen. Socialisme is onbestaanbaar zonder zeer vergaande garanties voor en bescherming van mensenrechten. En zonder bescherming tegen willekeur en corruptie is socialisme geen socialisme. Hoe wordt onder het socialisme gebruik gemaakt van de creativiteit en inventiviteit van de mensen? Hoe krijgen maatschappelijke initiatieven onder het socialisme een kans? Hoe wordt voorkomen dat initiatieven stranden in starheid en bureaucratie? Maar ook: hoe wordt een terugval in de chaos van de vrije markt voorkomen? Met daarbij de overtuiging dat er geen blauwdruk voor een socialistische samenleving bestaat.

    Spanning.
    In de artikelen in Spanning is het moeilijk een gemeenschappelijke lijn te herkennen. Het thema is ‘democratisering van de economie’, maar de wijze waarop die democratisering bereikt zou kunnen worden wordt niet helder onder woorden gebracht. Dat hoeft niet direct een bezwaar te zijn, het nummer van Spanning is immers bedoeld om de discussie te stimuleren. De lijn die er toch in Spanning zit is te vinden in het stuk van Hans van Heijningen. In dat stuk wordt zoals gezegd aangegeven dat wat hem betreft het streven naar socialisme voor de SP een achterhaald ideaal is. De ‘reële utopieën’ die wel bruikbaar kunnen zijn ‘in onze zoektocht naar sociale verandering’ worden door de andere schrijvers in hun stukken beschreven en aangeprezen als wegen naar sociale verandering.
    In de bijdrage van Arjen Vliegenthart wordt aan de hand van een drietal opmerkingen een poging gedaan de wegen en de mogelijkheden voor de SP aan te geven. De eerste twee opmerkingen geven aan wat de SP in de afgelopen periode als kern van de politieke activiteiten beschouwde. De derde is een nieuwe benadering die nog moet worden uitgewerkt.
    De eerste opmerking gaat eigenlijk over de uitverkoop van de beschaving. Die beschaving vinden we in de publieke sector die we moeten behoeden voor vreemde invloeden in de vorm van marktwerking, privatisering en liberalisering. Een heldere en juiste SP-opvatting, niet alleen terug te vinden in heldere pleidooien in het parlement en op andere plaatsen, maar ook in uitstekende rapporten over de uitverkoop van onderdelen van die publieke sector. De verheugende werkelijkheid is dat tegenwoordig veel politieke en maatschappelijke organisaties en ook veel kritische individuen het SP-standpunt hebben overgenomen. Tegelijkertijd is de andere werkelijkheid dat privatisering, marktwerking en liberalisering steeds verder worden doorgevoerd en uitgebreid in allerlei onderdelen van de publieke sector. Niet alleen energie, openbaar vervoer en ziektekosten-verzekering, maar ook onderwijs, woningbouw, gezondheidszorg, politie, brandweer en waterbeheersing. En de laatste tijd ook op gebieden van kunst en cultuur. En dat er geen sprake (meer) is van de “democratisch gelegitimeerde macht” die de touwtjes volledig in handen houdt.
    De tweede opmerking gaat er over dat wat we aan de markt laten aan strenge regels onderworpen moet zijn. Dat klopt: regels over arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, cao’s en ontslagbescherming zijn van groot belang om de negatieve gevolgen van het winststreven te beteugelen. En dat geldt evenzeer voor regels over energie, milieu en grondstoffengebruik. En ook hier de verheugende werkelijkheid dat veel organisaties en individuen het fatsoenlijke en beschaafde standpunt van de SP hebben overgenomen. Maar ook de concrete werkelijkheid dat het proces van deregulering in volle gang is op alle genoemde terreinen.
    De derde opmerking gaat over, “in normaal Nederlands”, de vraag hoeveel en wat werkers binnen bedrijven eigenlijk te zeggen hebben en hoe dat gerealiseerd kan en moet worden. Het antwoord op die vraag moet door de SP nog uitgewerkt worden. De discussie daarover begint met het genoemde nummer van Spanning.

    Coöperaties en andere ervaringen.
    Als een mogelijk begin van democratisering van de economie wordt in Spanning een aantal malen geschreven over de coöperatie. Hans van Heijningen schrijft over Mondragon in het Spaanse Baskenland als voorbeeld. Uit zijn verhaal (en ook uit dat van Tijmen Lucie) blijkt al gauw dat die coöperatie ook niet direct gezien moet worden als het toonbeeld van economische democratie. Slechts veertig procent van de werknemers is tevens werknemer-eigenaar, er wordt op grote schaal gebruik gemaakt van loonarbeid. Die veertig procent heeft misschien te maken met het feit dat men zich als lid moet inkopen in de coöperatie: werknemers beschikken niet altijd over voldoende geld om zich in te kopen. Uit het verhaal van Ruud Galle blijkt dat ook in Nederland de afstand tussen leden en bestuur groot is. Dit wordt eens te meer duidelijk als we kijken naar de grootste coöperaties in Nederland: Achmea verzekeringen, de Rabobank en Friesland/Campina, de grootste zuivelcoöperatie ter wereld. Niet alleen de leden hebben daar weinig of niets te zeggen, maar de positie van de werknemers is de zelfde als bij alle andere grote bedrijven. Terwijl het in Spanning toch gaat om de vraag hoeveel en wat werknemers binnen bedrijven eigenlijk te zeggen hebben. In Nederland bestaan geen werknemers-coöperaties er is nergens sprake van arbeiderszelfbestuur.

    Utopieën met een laag werkelijkheidsgehalte.
    Ronald van Raak schrijft in Spanning over de gevaarlijke utopie van het marktdenken. Volkomen terecht: het uit de hand gelopen marktdenken heeft de afgelopen jaren voor gewone mensen weinig goeds gebracht. Aan de andere kant blijkt deze gevaarlijke utopie tamelijk realistisch, het breidt zich in de praktijk voortdurend uit. De stagnerende kapitalistische economie op zoek naar nieuwe winstmogelijkheden heeft die ontdekt in wat voorheen de publieke sector was.
    Een utopie met een wel erg laag gehalte aan werkelijkheid is de bijdrage van Geert Reuten. Een geleerd verhaal met prachtige organisatieschema’s over de wenselijkheid van gekozen raden van commissarissen. Een utopisch en idealistisch stuk, zonder een greintje realiteit. Een stuk dat de gedachten direct brengt bij Wim Kok als commissaris bij ING. Op de stoel naast Wim Kok zit overigens ook als ING-commissaris de man die de SNS-bank naar de ondergang heeft gevoerd.
    Realistisch maar ook utopisch is het stuk van Peter Meijer over de mogelijkheden en beperkingen van ondernemingsraden. Zeggenschap en medezeggenschap, dat noemt hij de democratische uitdagingen. “De organisatiesociologie is daar al een eeuw mee bezig”. Dat klinkt niet erg optimistisch en veelbelovend.
    Econoom David Hollanders zet vraagtekens bij de democratische waarde van de economische wetenschap. In de media wordt veel gepubliceerd en verkondigd over de huidige economische crisis en de oorzaken daarvan. Opvallend is dat de vele ‘deskundigen’ geen eensluidend oordeel geven over deze kwestie. Heel veel antwoorden passeren de revue, met als belangrijk kenmerk de morele component. Gebrek aan leiderschap, onverantwoordelijk gedrag, ontbrekend vertrouwen, inhaligheid, graaigedrag, consumptiedwang, zelfs consumptieverslaving met daar tegenover dan weer voorzichtigheid met bestedingen (‘vraaguitval’) en versterkt spaargedrag. Soms worden termen gebruikt die de indruk wekken van geleerde ‘wetenschappelijke’ objectiviteit: verouderde productiecapaciteit, lage productiviteit, negatief investeringsklimaat, te weinig of juist te veel overheidsinvesteringen, te hoge of juist te lage rente, een actievere of juist terugtredende overheid, te geringe concurrentiekracht. In het algemeen kan gezegd worden dat de symptomen van de economische crisis verward worden met de oorzaken. En het verwarren van symptomen en oorzaken leidt uiteraard tot het volledig ontbreken van een eensluidende visie op mogelijke oplossingen. En ook hier weer die zelfde quasiwetenschappelijke, elkaar vaak tegensprekende en in strijd met elkaar zijnde benaderingen. Al die tegenstrijdigheden houden natuurlijk direct verband met het feit dat veel bestaande economische en politieke machtsgroepen tegenstrijdige belangen hebben. Met de aan iedere groepering verbonden elkaar tegensprekende ‘wetenschappelijke’ economen. De economische wetenschap is dan ook nauwelijks een wetenschap te noemen, maar eerder de ideologische spreekbuis van machtige groeperingen in economie en politiek. De economie als utopische wetenschap.
    Bij Sharon Gesthuizen over het midden- en kleinbedrijf, Arjen Vliegenthart over de Flexwet en ook in het interview met Arnold Merkies komt het parlementaire werk van de SP aan de orde. De drie zitten namens de SP in de Eerste dan wel in de Tweede Kamer. Gesthuizen is van mening dat de SP en het bedrijfsleven in Nederland elkaar heel wat te bieden hebben. Bij lezing van haar stuk blijkt dat zij het heeft over het midden- en kleinbedrijf en zij schrijft daarover terecht in positieve zin. Die MKB-bedrijven leveren een belangrijke bijdrage aan de welvaart in Nederland. Maar waar het gaat over de democratisering van de economie denken we toch vooral aan het grote (internationale) bedrijfsleven: Shell, Unilever, ING, Rabobank, Akzo/Nobel, noem ze allemaal maar op. Bij die bedrijven is geen sprake van enige democratisering, ze brengen onze welvaart in gevaar en zijn verantwoordelijk voor de huidige economische crisis. De flexwet ter bescherming van flexwerkers waarover Vliegenthart schrijft is in de Tweede Kamer nog niet verder gekomen dan een wetsvoorstel. In de huidige samenstelling van de Tweede Kamer is er geen meerderheid voor. En als het wetsvoorstel al wet zou worden dan beschermt die wet mogelijk de flexwerkers, maar het verschijnsel flexwerk wordt daarmee niet aangepakt. In werkelijkheid gaat ook hier de deregulering op grote schaal door en worden baanzekerheid en ontslagbescherming steeds meer bedreigd.
    Kamerlid Arnold Merkies verwacht als oplossing voor de (banken)crisis veel van allerlei wettelijke regelingen en afspraken, ook internationaal. Een mooi voorbeeld van een wettelijke regeling in Nederland is de interventiewet die de mogelijkheid zou bieden om in te grijpen bij banken voordat deze in de problemen komen. Maar bij de recente problemen bij SNS/Reaal werkte die wet niet. Merkies wijst zelf op een rapport van het IMF waarin te lezen is dat er in de internationale bankwereld in de afgelopen vijf jaar nog niets veranderd is, ondanks alle regels en afspraken. Hij wijst ook naar Nederland als aanjager achter internationale deregulering. Toch staat er als kop boven zijn interview: “De praktijk bewijst dat het ook anders kan”. Tsja!
    Ook Tiny Kox schrijft vanuit zijn parlementaire ervaringen in de Eerste Kamer. Na veel politiek verzet en tegenwerking is een commissie uit die kamer aan het werk gegaan en heeft onderzoek gedaan naar verzelfstandiging, opsplitsing en privatisering bij onder meer de NS, PTT, KPN en de energiebedrijven. De conclusies worden nu kamerbreed gedeeld: Zonder visie is de overheid in de afgelopen 30 jaar de weg gegaan van privatisering en verzelfstandiging van de publieke sector.
    De kreet “meer markt, minder overheid” is een eenzijdige, onnozele en kortzichtige gedachte gebleken die de samenleving er niet beter op heeft gemaakt. Integendeel, de economische groei is achtergebleven, de inkomensverschillen zijn toegenomen en het vertrouwen van de burgers in de overheid afgenomen. Ook het parlement heeft het laten afweten en steeds ingestemd met al die privatisering en verzelfstandiging. Kox pleit voor meer geld voor het parlement, is tegen vermindering van het aantal kamerleden en wil de Eerste Kamer opheffen. Maar er is meer nodig. Niet “meer markt en minder overheid”, maar de burgers in georganiseerd verband een rol laten spelen bij de organisatie van de samenleving. “Dat vereist verdergaande democratisering van de overheid, meer invloed van werknemers en consumenten op beslissingen van bedrijven en betere mogelijkheden voor mensen om invloed uit te oefenen op hun directe leefomgeving”. Mooie woorden, maar hoe hoog is van zo’n utopie het werkelijkheidsgehalte? En vooral: Wat is nu tenslotte het effect van zo’n rapport van een commissie uit de Eerste Kamer? Zoals in het voorgaande al eerder betoogd: De verheugende werkelijkheid is dat tegenwoordig veel politieke en maatschappelijke organisaties en ook veel kritische individuen het SP-standpunt hebben overgenomen. Tegelijkertijd is de andere werkelijkheid dat privatisering, marktwerking en liberalisering steeds verder worden doorgevoerd en uitgebreid in allerlei onderdelen van de publieke sector. Niet alleen energie, openbaar vervoer en ziektekosten-verzekering, maar ook onderwijs, woningbouw, gezondheidszorg, politie, brandweer en waterbeheersing. En de laatste tijd ook op gebieden van kunst en cultuur. En dit alles ondanks belangrijke pleidooien en initiatieven van SP-ers in het parlement, ondanks de rapporten van commissies uit het parlement met belangrijke bijdragen van SP-parlementariers, soms zelfs met een SP-er als voorzitter. Het bevestigt eens te meer de noodzaak voor de SP zich te bezinnen op de betekenis van het parlementaire werk van de partij. Socialisten zien parlementaire democratie als meest democratische bestuursvorm, gebaseerd op het principe van één stem per persoon. Ook in een socialistische maatschappij zal parlementaire democratie als bestuursvorm moeten blijven bestaan. Maar die zal zich dan over alle aspecten van het maatschappelijk leven uitstrekken, niet in de laatste plaats de economie. Want in het huidige systeem onttrekt juist de economie zich aan democratisch bestuur en democratische controle. Macht is in het kapitalisme vooral economische macht. En die macht onttrekt zich aan bestuur en controle door de democratisch gekozen vertegenwoordiging. Maar parlementaire verkiezingen en vertegenwoordiging zijn niet onbelangrijk. Een verkiezingsuitslag is graadmeter voor steun die een socialistische partij heeft. In het parlement kan socialistische invloed soms verslechteringen voorkomen of verbeteringen realiseren. En socialisten kunnen daar hun visie naar voren brengen. Maar hoe belangrijk parlement en verkiezingen ook zijn, het is voor socialisten gevaarlijk zich alleen daarop te richten. Zeker tegenwoordig, nu de macht van het parlement om veranderingen te realiseren minder wordt. Minder mensen de moeite nemen serieus aan verkiezingen mee te doen. Kiezersaanhang is onder invloed van de media vluchtiger dan ooit. De aandacht van die media gaat vooral uit naar rellen en personen en minder naar inhoud. En socialistische opvattingen krijgen minder kans via de media gehoord te worden. De aanwezigheid in het parlement is voor socialisten belangrijk. Maar het is een beperkt belang, want het werk in de volksvertegenwoordiging is geen doel, maar een middel voor versterking van het streven naar socialisme.
    Arjen Vliegenthart schrijft over de rol en de betekenis van de vakbeweging. De vakbeweging is van groot belang geweest en is dat nog steeds voor de behartiging van de belangen van werkende mensen. De inkapseling van de vakbeweging in overlegstructuren met werkgevers en overheid heeft die directe belangenbehartiging sterk naar de achtergrond gedrongen. De huidige beweging naar vernieuwing lijkt nog niet erg succesvol in de richting van de voornaamste taak van de vakbonden. Voor een partij als de SP is een sterke vakbond van groot belang. Het is de vraag of de vakbond meer kan en moet doen dan defensieve loon- en sociale strijd. Of de vakbond ook offensieve strijd moet voeren voor een socialere economie en een socialere samenleving. Natuurlijk is het werk van de vakbond meer dan loonstrijd. Het gaat ook om al die zaken die de werkgevers juist willen afbreken: baanzekerheid, ontslagbescherming, ww-uitkering, ww-duur, AOW-leeftijd, noem maar op. Dat is behalve sociale strijd ook politieke strijd. Defensieve politieke strijd om de belangen van de arbeiders te beschermen. De offensieve strijd voor een socialere economie en samenleving (laten we dat toch gewoon socialisme noemen!) is de taak van de politieke partij die voor het socialisme strijdt. Die partij steunt de vakbond en vertaalt de eisen van de vakbond naar de politiek. Hoe dat concreet gestalte krijgt is niet te voorspellen, dat zal in de alledaagse werkelijkheid gestalte moeten krijgen. Maar duidelijk moet zijn: Vakbond en partij werken samen, steunen elkaar, maar vallen niet samen. In de geschiedenis zijn voorbeelden te vinden van mislukkingen wanneer het vakbondswerk en het partijwerk met elkaar samenvallen. Denk aan het verbond van vakbond en PvdA in de tijd van het akkoord van Wassenaar. Denk ook aan de relatie vroeger tussen CPN en EVC. Het werk van strijdbare vakbondsleden moet er juist op gericht zijn de bond te bevrijden van de heilloze politieke band met vooral de PvdA. En de bond weer te laten doen waarvoor die bestemd is: defensieve strijd voor de belangen van de arbeiders. En de SP-ers onder die strijdbare vakbondsleden moeten niet de fout maken te proberen de bond vast te verbinden met hun partij, ook dat is een heilloze weg.
    Dennis de Jong en Tuur Elzinga schrijven over de vakbeweging en hoe werknemers zich op Europees en mondiaal niveau kunnen organiseren. Op Europees niveau blijkt het polderen sterk ontwikkeld en veel meer dan polderen is het nog niet. Wel zijn er hoopgevende ontwikkelingen in de richting van directe belangenbehartiging voor werknemers. De mondiale economische crisis (door Tuur Elsinga beschreven en geanalyseerd) lijkt op dat niveau te leiden tot meer globale samenwerking tussen vakbonden op het gebied van belangenbehartiging.
    Tijmen Lucie beschrijft de rampzalige effecten van marktwerking en privatisering op de volkshuisvesting, met een nostalgische terugblik naar hoe het vroeger was en met een utopische kijk op hoe mooi het zou kunnen zijn.

    Een actiepartij of alleen maar een actieve partij?
    Op deze vraag werd ooit in de SP het antwoord gegeven dat de SP geen actiepartij moest zijn, maar vooral een actieve partij. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat de SP natuurlijk een partij moet zijn met vooral heel veel actieve leden. En natuurlijk is de SP ook meer dan een actiepartij. Acties zijn vaak teleurstellend in die zin dat lang niet altijd de gewenste resultaten worden bereikt. En nog vaker dat de behaalde resultaten via een omweg weer worden terug gedraaid. Acties zijn anderzijds heel belangrijk voor de bewustwording van de deelnemers: ze verduidelijken de maatschappelijke tegenstellingen, geven zicht op voor- en tegenstanders en versterken samenwerking en solidariteit. En bevorderen zo het inzicht dat voor werkelijke verbetering van misstanden verdergaande maatschappelijke veranderingen nodig zijn.
    In de afgelopen periode zijn heel veel acties gevoerd via internet. De deelnemers aan zo’n actie wordt gevraagd hun handtekening te zetten onder een verzoek of een petitie om op die manier een zaak onder de aandacht te brengen en bepaalde concessies af te dwingen. Ondanks een vaak behoorlijk groot aantal handtekeningen zijn de resultaten van zulke acties dikwijls minimaal. Grote aantallen internethandtekeningen maken kennelijk minder indruk dan een massale betoging voor de deur van het stadhuis of de ingang van een bedrijf of instelling. Maar ook massale opkomst bij een openbare betoging of demonstratie maken veel minder indruk dan in het verleden het geval was. Bij vroegere grote demonstraties tegen de kruisraketten, tegen de apartheid in Zuid-Afrika of de oorlog in Vietnam was de invloed op de publieke opinie via de media groot. En toch waren ook in die tijd het gevoel van saamhorigheid en van ‘toch iets te hebben gedaan’ soms belangrijker dan het uiteindelijke resultaat. Bij het ophalen van handtekeningen of het uitdelen van folders en dergelijke aan de huisdeuren en in de winkelstraat of op de markt, zoals vroeger veel werd gedaan door de SP-afdelingen, werd de eigen organisatie versterkt. Die versterking van de eigen organisatie en het bekend worden van de SP werden later ook wel van middel tot doel van de acties. Een en ander in het vervolg op het steeds belangrijker worden van de deelname van de SP aan verkiezingen. Het advies “zorg bij een actie altijd voor een plaatje en een praatje in de krant of voor de radio, liever nog op de tv” werd SP-actievoerders wel geadviseerd. En het streven vooral een actieve partij te zijn manifesteert zich in veel afdelingen met het oog op en in de perioden voorafgaand aan verkiezingen. Terwijl de SP niet alleen meer is dan een actiepartij, maar toch ook meer dan een verkiezingsapparaat.
    In het interview van Hans van Heijningen zegt Jeroen Merk van de Schone Kleren Campagne: “Tegelijkertijd zie ik dat vakbonden en linkse bewegingen de afgelopen decennia in veel landen aan invloed verloren hebben, omdat zij geen perspectieven weten te ontwikkelen waarmee ze mensen aan zich weten te binden”. Te vrezen valt dat dat straks ook gezegd kan worden als de SP in de afdelingen, de regioconferenties en de partijraad besluit het perspectief van het socialisme aan de kant te zetten.
    Terwijl juist de SP mensen het perspectief moet bieden dat ‘de kapitalistische ordening van de maatschappij, met het individueel eigenbelang als leidend principe in de economie en met de daarmee samenhangende ondernemingsgewijze productie, de markt, de concurrentie en de winst, door de ontwikkeling achterhaald is. En plaats moet maken voor een nieuwe maatschappelijke ordening. Met een rationele planning van de economische productie en consumptie in plaats van de chaotische gang van zaken in de markteconomie. Met de nadruk op gemeenschapszin en solidariteit in plaats van op individueel eigenbelang. Met een visie op de samenleving die mensen maatschappelijk inspireert en actief maakt en vertrouwen geeft voor de toekomst’. Dat perspectief noemen wij socialisme. En de SP moet samen met de mensen er voor vechten om dat perspectief tot werkelijkheid te maken. Dan blijft de naam van de SP terecht Socialistische Partij.

    Februari 2013

  2. Dank je wel Willem. Dat is heel wat. Soms ben ik het met je eens, qua theorie, maar soms vind ik je ook vreselijk naief over de motivatie van de SP. Maar ik zie dat je schrijven alweer 2 jaar oud is, en in de tussentijd is er weer het een en ander gebeurd.

    Kijk, voor mij, als kritische en analyserende burger, is het evident dat hoe groter de kans op regeren is, hoe duidelijker en vaker de partij in de media afstand doet van het socialisme. Met name onder Roemer, die ik meer zie als een buikspreekpop dan een licht over, bijvoorbeeld, marxisme. Kijk hoe er al coalities in het land zijn samen met de VVD. Een partij die volgens Roemer van de armen steelt om het aan de rijken te geven. Dan kun je heel hard beweren dat je niet socialistisch meer bent maar sociaal, maar regeren met de VVD lijkt me toch wel het toppunt van asociaal. En wanneer je misschien denkt ‘dat gaat nooit gebeuren’, dan kan ik je wel een paar koerswijzigingen van de SP noemen, waarover je destijds ook dacht ‘dat gaat nooit gebeuren’.

    Ik moest lachen om “Spanning is immers bedoeld om de discussie te stimuleren”. Mijn idee is juist dat er binnen de SP zeer weinig gediscussieerd wordt, en alleen maar binnen vastomlijnde perimeters, die worden bepaald door het oppertrio Jan Marijnissen, Hans van Heijningen en Tiny Kox. Zij dicteren en niets gebeurd er zonder uitdrukkelijke toestemming.

    Na de overwinning van Syriza riepen SP’ers dat dat hun “zusterpartij” was. Ik moet daar nu nog vreselijk om lachen. Niks hebben ze de Grieken gegund, maar hoorde ik laatst Roemer in Buitenhof schaamteloos liegen over dat de SP nooit heeft gewild dat Griekenland uit de EU zou stappen. Zie -> http://www.volkskrant.nl/opinie/grieken-de-euro-uit-en-banken-splitsen~a2447465/ En dat weten de leden, maar niemand trekt zijn mond open. Het lijkt wel een sekte.

    In mijn ogen gaan steeds meer socialisten inzien dat de SP door machtshonger wordt overmand en daardoor basisprincipes overboord gooit. Arjen Vliegenthart nu knus met de VVD in Amsterdam, heeft nóg de dwangarbeid niet afgeschaft, zoals hij beloofd had.

    Het is geen theoretisch probleem, het is niet de economie, noch de maatschappij, het is gewoon de SP die de keuzes maakt die het maakt, en dat doet het geheel vrijwillig.

Reageer!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s